Het gesprek onder het avondeten gaat over Harry. De valkparkiet van mijn ene zoon. Harry is behoorlijk in de rui zegt zijn vader. Het is ruildag. Vandaag ruilen wij van plek. Hij komt en ik ga.

“Misschien heeft hij wel heimwee,” zeg ik. “Onze trouwe viervoeter wil ook de eerste dagen niet eten wanneer wij op vakantie zijn. Vaste prik dat zij haar bord niet leeg eet of drinkt.”
Het gesprek gaat daarna verder over de dingen die mijn kroost tot nu toe al gedaan hebben. Ze hebben het goed. Dat vind ik fijn. Het is stil.

“Nou, dan raak ik ook in de rui,” zegt de kleine man plotseling. Hij vervolgt: “Voordat het dan die vrijdag is, ben ik helemaal kaal.”
“Hoezo?” vraagt er iemand. 
“Omdat ik mama bijna twee weken moet missen.”

Er wordt wat gelachen. De kleine man en ik kijken elkaar aan. Later komt hij net voordat ik de auto in stap naar me toegelopen. Eerder op de avond heeft al gedag gezegd, omdat hij met zijn vrienden heeft afgesproken. Toch voelt hij feilloos aan dat ik er nog ben. Hij kan dat.

“Mama ik krijg nu al kale plekken van de rui,” zegt hij en lacht. We knuffelen elkaar. Ik geef hem een kus en al zwaaiend rij ik weg.

Na zeventien jaar heeft deze moeder de komende twee weken alleen vakantie. Alleen. Zonder mijn kroost. Eigen keus. Ik wil dit, heb er oprecht zin in. Ik raak niet in de rui. Nee. Zal mijn kroost vast en zeker missen. Uiteraard. Maar voor mij is het anders.

Men vindt hier dus wat van. Die anderen. Misschien jij wel. Ik ook. Fijn dat het over mij gaat en dat ik zelf voor mij kies. Daarom vandaag ruildag. Dus dat.